maar vonden alleen 'n kurk, blaaswier, schelpen en zee-egels. Op 't strand waren veel wormhoopjes te zien en ernaast een kuiltje, afkomstig van de strand- pieren van wel 20 cm lang. Met versnelde pas ging 't terug. We kregen spoedig de dode dennentak in 't oog op de top van 't duin waar onze auto stond. We reden terug naar Den Hoorn en vandaar naar de Westermient-ontginning van 't staats bosbeheer; dat is er al vanaf 't einde van de vorige eeuw. Door 't bos liepen zandwegen met ernaast fiets paden. In 1927 waren er honderden hectaren beplant met zwarte den. Ze wedijveren op Texel met de be roemde Manteling van Walcheren. 'n Bakkersknecht, een Duitser, wees ons vriendelijk de weg naar De Koog. Bij De Koog is maar één grote boerderij en een paar kleinere. Onderweg zagen we de werkverschaffing, die de voet van 't duin beboste met Oostenrijkse den. Er waren ook boomkwekerijen van dezelfde onderneming. In De Koog waren de hotels leeg. We vergaten de pol der De Nederlanden te bezoeken. Van De Koog naar 't noorden wordt 't strand breder. Er moeten daar veel sterntjes, witte zeezwaluwen, en andere vogels zijn. Hier dichtbij is ook de Mui, daar waren in 1924 lepelaars, toen was daar de toegang verboden. Van De Koog hadden we dus naar 't noor den moeten gaan, naar die broedplaats en de schelpen aan 't strand. We gingen deze keer echter over de Pij- persdijk naar de Polder Waal en Burg. Daar is een eeuwenberoemde broedplaats: de Staart. De kemphaantjes komen er ook. We gingen op zoek naar een vogelbroedkolonie en reden door de polder zonder één vogel te zien. We vroegen er eens naar en men wees ons op een fietser in de verte; dat kon de vogelbewaker Mijnheer Boot wel eens zijn. We reden hem tegemoet. Op de vraag of hij misschien de vogel bewaker gezien had, antwoordde hij met een zekere fiere blijdschap, op zichzelf wijzend: "Dat ben ik zelf". We zeiden hem zoveel van de vogels van Texel gehoord te hebben, dat het ons verwonderde hier, waar volgens Thijsse een broedkolonie in de buurt moest zijn, geen enkele vogel te zien of te horen. Toen nodigde hij ons uit hem te volgen. Hij zei tevens dat ik een streepje voor had; dat vond ik heel vrien delijk. Hij leidde ons naar een stoomgemaal, waarbij hij ons veel kievitsnesten het zien. Op Texel zijn er pas kievitseieren in april. Ook zagen we kluten, ge wone eendennesten met eieren, grutto's die hun eigen naam roepen en wulpen; we zagen de tureluurs vlie gen met de poten omlaag gestrekt, plevieren en berg eenden die nestelen in konijnenholen en nog veel an dere vogels. Wij hoorden ze luid in de lucht roepen dat wij inbrekers zijn. Mijnheer Boot, de vogelbe waarder van De Waal, vertelde dat hij 'n groot gebied te bewaken had, maar met z'n kijker kon hij ver over de polder zien en de mensen zullen hem niet dikwijls te vlug af zijn. In de broedtijd mag niemand daar zon der geleide komen en aan het land wordt dan niets gedaan. Na vier maanden mag 't gemaaid worden. Na onze vriendelijke geleider bedankt en getrakteerd te hebben, trokken wij door de grote Eierlandse Pol der. De polder is boomloos. We gingen 'n zijweg in, om langs de voet van het duin over de Zanddijk te gaan en kwamen toevallig in de Slufter terecht. Nu waren er alleen plassen te zien. Dan gingen we naar de Cocksdorp. We gingen plan ten zoeken op de kwelder: Obione2, Suaeda3 en zee kraal. Nog iets meer noordelijk zagen we de grote vuurtoren van nabij. We klommen op de kleine uit kijktoren ernaast en overzagen mooi 't hele duin van 't noorden van Texel. Achter 'n gesloten deur zagen we ook de verrekijker waarmee de zeehonden kun nen gezien worden, als ze zich bij eb zonnen op de zandplaat voor 't Eyerlandse gat. Vanaf nu begonnen we de terugtocht en gingen naar Den Burg, maar niet 'Courant "KeMPHANUl" 'mmm **r Kemphanen bij de Motweg, tekening door Sjoerd Kuperus. De Staart, de Kemphanenweg omstreeks 1930. 2 Zoutmelde 3 Schorrenkruid 26 Historische Vereniging Texel Nummer 103 juni 2012

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Uitgave Historische Vereniging Texel | 2012 | | pagina 28