en tevens't laatste restje adem uitje zwoegende borst perste. Daar kwam nog bij dat we danig door onze bagage gehinderd werden; er hing onder andere ook nog 'n koffer aan m'n stuur, zoodat we nogal eens te gen den berm opreden. Dit alles werkt zeer aansteke lijk op de lachspieren, want met 'n hele week vacantie voor den boeg kon niets ons goede humeur bederven. Links keken we tegen de glooiing van 'n zeedijk waar we eens opklommen om 'n blik t werpen op 't onstui mige water van den Texelstroom en rechts keken we over de weilanden met grazende schapen. Hier zagen we dan voor 't eerst de bekende walletjes, die als om heining dienst doen en tevens 'n beetje luwte geven aan 't wollig volkje. Ook wij zouden die week menig maal 'n luw plekje opzoeken, want de zeewind, die gestadig over 't eiland blaast, bleek op zonloze dagen soms 'n hinderlijke despoot. Als we 't aardige dorpje Den Hoorn inrijden, is 't al bijna donker en we vervoegen ons dan ook zoo spoe dig mogelijk bij degene, die ons van 't voorjaar reeds 'n plaatsje in z'n duinen beloofde. Dan vangt de strijd aan met 't klapperend monster, dat ons 'n week zal herbergen. (Voor de duidelijkheid haast ik me hier aan toe te voegen, dat hiermee de tent wordt be doeld) Als m'n vrouw uit 't dorp terugkomt met pro viand, zijn m'n broer en ik gelukkig zoo ver dat we hals over kop de bagage naar binnen kunnen sleepen, net op tijd, want even later klettert 'n bui op 't tent dak, terwijl de wind met onafgebroken geweld door de spanlijnen giert. Ondanks 't geraas van regen en wind hooren we toch nog 't doffe geluid van de bran ding; de Noordzee-rollers bestormen het duin. Watje noemt kampeerweer! Geen nood, we zitten droog en even later snort de primusbrander onder 't eerste theewater en straalt de groote stormlamp z'n gezellige petroleumlicht uit over ons en over de onbeschrijf elijke verwarring van bagage, waartusschen de inder haast nog met stroo gevulde beddetijken als monster achtige worsten opduiken. Wat hebben we daar toch om moeten lachen; eerst was het 'n toer om er bo venop te blijven liggen, maar in 't laatst van de week waren ze zoo plat geworden als pannekoeken en trachtten we eiken avond met schoppen en stompen er eenige veering in te brengen. Ook de kussens wer den steeds platter; als er dan één klaagde: "Ik lig zoo laag met m'n hoofd", dan waren de twee anderen zoo vriendelijk een van de omliggende duinen aan te bie den. Desondanks sliepen (knorden, zegt m'n broer) we als marmotten. 's Morgens waschten we ons met 't heldere water van 'n nabijgelegen sloot. Voor inwendig gebruik hadden we regenwater, dat we op 'n boerderij haalden in 'n ontzaglijk groote kruik met 'n belachelijk klein oor tje, waarvan 't vervoer ons voor 'n probleem stelde. Droeg je 'm aan je vinger dan bestond de kans dit nuttige lichaamsdeel te breken en om 'm in je armen voor je uit te houden, dat stond erg gek en vergde 'n zekere hordenloopers-ervaring met het oog op de vijf hekken, die we over moesten klimmen voor we aan de tent waren. Die hekken op Texel zijn meer voor de schapen bedoeld dan voor de menschen; overal mochten we loopen, ja, 't is daar nog een vrijgevoch ten landje. De eerste tocht dien we maakten, was van Den Hoorn uit dwars door de duinen naar 'Onrust', de uiterste punt van Texel. Wat zijn de duinen daar schitterend begroeid! De hellingen waren bedekt met kleine struikjes van 't duinroosje; de bloeitijd was jammer genoeg afgeloopen, overal gloeiden de donkerroode bottels, slecht 'n enkel roosje getuigde van de voor bije schoonheid. Tusschen gras en helm bengelden sierlijke, blauwe grasklokjes en pronkten zandblauw tjes en geel walstroo in kleurig contrast. Tot onze ver rassing bloeide de struikhei reeds; dat was toch wel erg vroeg. In de valleitjes was 't 'n rose weelde van dophei kussens. Telkens vlogen wulpen voor ons op; die deden zich te goed aan de zwarte bessen van de kraaiheide. Piepers, kneutjes, tapuiten, paapjes, grasmusschen en nog meer van die kleine zangertjes scharrelden in de ruigte van helm, duindoorns en bramenranken. 'n Vreemd gezicht was 't in de duinen schapen te zien grazen; eenmaal liepen ze zelfs aan het strand. Tegen alle verwachting in schijnen al die trippelende poot jes niet nadeelig te zijn voor 't plantendek, dat overal even vast was. We kwamen plots voor 'n breede sloot te staan, langs de kanten groeiden prachtige, gele ra telaars en geurige watermunt. We ontdekten spoedig 'n plank over de sloot en nadat wij nog 'n paar duin reeksen waren overgeklommen, lag 'n prachtige breede vallei (De Geul) voor ons. Overal wiegden de mat-witte Parnassia kelkjes. Hier stond ook de Piro- la's, sierlijke bloempjes met typische lange stijlen. Or chideetjes konden we, eigenaardig genoeg, niet vin den, wel prachtige klokjesgentianen. De zuidelijke helling is bedekt met manshooge duindoorns, waar- Paapje, aquarel door L.W.R. Wenckebach. Nummer 103 juni 2012 Historische Vereniging Texel 19

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Uitgave Historische Vereniging Texel | 2012 | | pagina 21