Sli Éllift ',TOfe^c4' M/tf, \T V» i £iy- 1 ijll M0 Qisd-tsfh a t Uitbrrsbc Op een wolkenloze dag in het jaar 1994 vloog een fotograaf boven de Hondsbossche Zeewering. Een druk op de knop en de foto was gemaakt. Links onder de weg naar Petten en in het midden een weiland met een uitstulping. Niets bijzonders, zult u zeggen, een stuk land met een sloot er omheen. ^tiWBNai:»?^ iTï^%®'r*N,\t:ï - 41 «i-aüM Hi «A Eilighers venne r W. Siewertsen I IP j*» W0wt ^gT* eAi)ï .&WJ» AVOf/Vf r v bL4s"',v V Op de oudste kadastrale kaart van de Hargerpolder uit midden 19e eeuw zien we dat het land toen precies dezelfde vorm had. Sinds het kadaster er is heeft ieder stukje grond een sectielet ter en een perceelsnummer. Het was Hargen sectie A, perceel 45. Voor die tijd waren er de meet- boeken met oppervlakte, eige naar, naastliggende percelen en soms een veldnaam. In het meetboek van de Hargerpolder uit de 18e eeuw vinden we ons perceel terug: Pieter Klaasz Kruif erve aan de Geestwatering abslant 554 roe den.1 De toevoeging abslant is bijzonder. De abdij van Egmond had na 1572 geen eigendommen meer in de Hargerpolder en toch werd 200 jaar later in het meet boek nauwkeurig aangegeven welke landerijen vroeger van de abdij waren geweest. In de 17e eeuw was er in 1649 ook een meetboek gemaakt en in 1682 weer een nieuwe uitgave door Claes Jacobsz Sgotvanger en de landmeter Claes Jansz.2 In dit boek was de omschrijving van ons fotolandje Pieter Tijsz kinderen aan de Geestwatering 554 roeden ten westen het varkensventie en ten noorden de Coeven. In 1568 moesten alle landeigena ren in de Hargerpolder betalen aan het onderhoud van de Hondsbossche.3 Van ons perceel was de abdij toen nog de eigenaar. De gebrui kers waren Albert Vrantsz en zijn broederen en de naam was 'Westerhofvenne genomt Eilighers venne groot zijnde omtrent V en lent aan de Grote Hofvenne'. In 1572 raakte de abdij al z'n bezittingen in de Hargerpolder kwijt. Ze werden verdeeld over zeven Hollandse steden: Alkmaar, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Purmerend, Edam en Monnikendam. De stadsbesturen lieten caertboeken maken van hun bezittingen met omschrijvingen, veldnamen en nauwkeurige tekeningen. Er zijn van 30 percelen in de Harger- en Pettemerpolder tekeningen uit de caertboeken bewaard geble ven en daaruit blijkt dat er tus sen 1600 en 1830 bijna niets aan de perceelsgrenzen was veran derd. Waarom zou men ook, slo ten graven, kost geld en herver- kavelen was er nog niet bij. Ons perceel had zelfs twee namen, een officiële de Westerhofvenne en zoals de plaatselijke bevolking het noem de Eilighers venne. De abdij van Egmond had de bezittingen in de Hargerpolder al vanaf 988, maar de naam Eilighersvenne4 geeft aan dat deze venne niet vanaf 988 abdijbezit was geweest. In de manualen van de abdij uit 1371 en 1388 werden de huur inkomsten bijgehouden en is ook de Westerhofvenne te vinden. Het was toen dus al abdijbezit.5 De overgang van de vorige bezit ter naar de abdij moest dus tus sen 988 en 1371 zijn gebeurd. En zo was het ook Een oorkonde uit 1120 laat zien hoe dit land in handen van de abdij kwam.6 Een bijeenkomst in Haarlen Graaf Floris de II de Vette, hij was zo dik dat hij zich slechts traag kon voortbewegen, riep de belangrijke mannen uit Kennemerland bijeen om een grondruil te bevestigen tussen de abdij van Egmond en Eilger en Abbo de Meneslata. Gravin Petronella was erbij en natuurlijk abt Adalardus. Adalardus van Haarlem was verwant aan de adel uit de streek. Twee van zijn broers, heer Galo van Haarlem en IJsbrand van Haarlem waren ook aanwezig en vele anderen waaronder Folpert de Witte en mannen uit Alkmaar, Limmen, Heiloo en Schermer. De abt had monnik Frethericus voor het schrijfwerk mee genomen. Eilger kreeg landerijen bij Schermer en Beemster van de abdij. De abdij kreeg in ruil daar voor grond bij Alkmaar en bij Hargen "in Abbatis cache in Harragan" zoals het in de oor konde werd opgeschreven, in de abtskoog bij Hargen, dat was Eilighers venne, het land op de foto uit 1994. Cultuur historische Vereniging Scorolo okt. 2002

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Scoronlo: uitgave van de cultuurhistorische vereniging Scoronlo | 2002 | | pagina 5