v* Jf 4 13 Bewoningssporen Ter hoogte van de kerk van Veenhuizen is twee keer archeologisch onderzoek uitgevoerd: éénmaal in 2016 voor onderzoek aan de graftombe van Brederode, en één maal in 2019 voor de herinrichting van de Kerkweg. Deze onderzoeken grenzen aan elkaar, met een kleine strook niet onderzocht terrein. Over het onderzoek van de kerk zijn al artikelen verschenen, daarom wordt hier nu niet uitgebreid op ingegaan. Beide onderzoeken (bij de kerk en de weg) tonen aan dat op deze locatie een terp is opgericht. De terp bestaat uit Op de terp die tijdens het onderzoek aan de Kerkweg is aangesneden, werd zeer waarschijnlijk gewoond. Er zijn enkele paalkuilen en een waterput gevonden, afkomstig van een erf. Het erf strekte zich waarschijnlijk uit in noordelijke richting, waar de woning zal hebben gelegen. Aan de zuidkant stond - net als nu - de kerk. Het erf kan op basis van de vondsten van aardewerk en hout worden gedateerd. Het hout is afkomstig van de waterput. Deze bestond uit meerdere eikenhouten planken, ‘duigen’. Eén van de duigen is dendrochronolo- gisch onderzocht: het jaarringenonderzoek. De gebruikte eik is rond het jaar 1370 gekapt, misschien wel in Polen. Enkele fragmenten aardewerk konden tussen 1375 en 1425 worden gedateerd. Als we rekening houden met de ‘reistijd’ van het hout, kan het erf iets jonger worden gedateerd dan 1375, met een einddatering van 1425. Het onderzoek naar het hout zelf leverde ook leuke informatie op. Zo kon achterhaald worden dat het hout afkomstig was van een afgedankt wijnvat. Omdat het hout was aangetast door houtworm werd opgemaakt dat het wijnvat enige tijd niet is gebruikt, voordat deze is hergebruikt als waterput. Uit de waterput zijn verschillende vondsten verzameld. Zo lag er een bijna compleet kannetje in, een zogeheten Jacobakan uit Siegburg in Duitsland, en ook aarde- werkscherven van andere potten. Dierenbotjes waren afkomstig van rund, enkele schedeldelen van een paard en een bijna complete, maar wel ingeslagen schedel van een jonge hond. De metaalvondsten waren een deel van een ijzeren hengsel (misschien wel van de emmer om het water naar boven te halen?) en de punt van een ijzeren mest- of hooivork. Op basis van de vondsten kan niets gezegd worden over de status van de bewoners van het erf, of ze arm of juist plaggen en is op de natuurlijke veenondergrond opge worpen. Het is aannemelijk te veronderstellen dat het dezelfde terp betreft, hoewel bij het onderzoek van de kerk gesproken wordt over veenplaggen en bij de Kerk- weg over veen- en kleiplaggen. De opgraving bij de kerk leverde twee voorgangers op van de huidige kerk, die in 1965 is gebouwd. Er werden muurresten aangetroffen van een middeleeuwse kerk, uit ca. 1300-1325. Deze is in de 18e eeuw afgebroken waarna een nieuwe, iets kleinere kerk in 1862 werd gebouwd. De oudste vondsten bij de kerk bestaan uit aardewerk uit 1150-1300, tufsteen dat werd gebruikt bij kerken in de 11e en 12e eeuw (maar het is onbekend of dit tufsteen voor een oudere kerk is gebruikt), en menselijk botma- teriaal dat onder de oudste muurresten is aangetroffen en dat afkomstig zal zijn van graven van vóór de bouw van de kerk. Volgens historisch onderzoek stond op een kaart uit 1288 al een kerk aangegeven, wat min of meer overeenkomt met de datering van de oudste muurresten. Een tufstenen kerk uit 1460 is niet aangetroffen, maar wel stukken tufsteen. ■L. - Afb. 3. Doorsnede van de Kerkweg, met beschrijving (Bron: Ei- mermann et al 2020, afb. 5.9). Afb. 4. Hetpaardenpad, met grindpakket ernaast (Bron: Eimer- mann et al 2020, afb. 5.6). Afb. 5. Karrensporen zichtbaar in de opgravingsput (Bron: Ei- mermann et al 2020, afb. 5.19). - J?#’ - - L*

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Overhaal: historisch magazine Heerhugowaard | 2022 | | pagina 14