A
fep.
HET VERLEDEN VAN VEENHUIZEN VIA
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK
11
Linda Verniers
NMF Erfgoedadvies
2. Ontginningsgeschiedenis Veenhuizen
Vanaf ca. 1200 v.Chr. kon een groot veengebied ontstaan
achter de inmiddels gesloten kustlijn van
Noord-Holland. Vanaf de vroege middeleeuwen werd
het veengebied ontgonnen. Dit begon waarschijnlijk ten
zuiden van Texel en breidde zich uit vanuit het duinge
bied en de kop van Noord-Holland. West-Friesland werd
na de ontginning in vier bestuurlijke eenheden verdeeld,
ambachten genoemd. Veenhuizen behoorde tot de
Geestmerambacht.De Geestmerambacht is vanuit het
duingebied van Bergen-Schoorl van west naar oost
ontgonnen in een lineaire verkaveling. Het ontgonnen
land werd in eenheden verdeeld, waarbij aan de achter
zijde kaden en waterlopen werden aangelegd zodat water
uit de omgeving werd omgeleid.
1. Inleiding
In de afgelopen jaren is in Veenhuizen, gemeente
Heerhugowaard, een aantal interessante archeologische
onderzoeken uitgevoerd. Voormalig beleidsambtenaar
Gerlof Kloosterman van de gemeente Heerhugowaard
vroeg zich af in hoeverre de archeologische gegevens
informatie hebben opgeleverd over de ontginning en
ontwikkeling van Veenhuizen. Hier wordt in dit artikel
op ingegaan.
De dijken
Door de hierboven genoemde veenontginningen en de
daarmee verbonden oxidatie van het veen daalde de
bodem. Het gevolg daarvan was dat er op sommige plaat
sen meren ontstonden, waaronder het meer de Grote
Waard. De ontwatering van het land van Veenhuizen was
geregeld via sloten en tochten, die op het Berkmeer, de
Langereis en de Grote Waard uitkwamen. Daardoor was
er geregeld sprake van wateroverlast. Om dit tegen te
gaan werden dijken opgeworpen.
De Maijdijk is mogelijk de oudste omdijking van het
dorp Veenhuizen. Deze dijk beschermde een klein deel
van het land van Veenhuizen. De Maijdijk is niet meer
duidelijk zichtbaar in het huidige landschap en kon
tijdens archeologisch onderzoek aan de Kerkweg niet
worden vastgesteld. Op oude kaarten is nog wel de Oude
Maijdijksloot aangegeven, zie afb. 1.
De Groenedijk of Veenhuizer Omloopdijk wordt voor het
eerst genoemd in de eerste helft van de 16e eeuw. Het
land dat niet werd beschermd door de Maijdijk onder
vond veel wateroverlast. De dijk werd tevens de grens
tussen de polders van Heerhugowaard en Veenhuizen.
Nadat de Grote Waard werd ingepolderd, werd de dijk
nog een keer verbeterd. Tot in de 20e eeuw kronkelde
de dijk door het landschap, daarna is hij rechtgetrokken
maar nog steeds goed zichtbaar in het landschap.
3. Archeologisch onderzoek van het oude
landschap en de Groenedijk
Tijdens archeologisch onderzoek wordt altijd het oude
landschap in kaart gebracht. Het landschap bepaalde na
melijk waar mensen konden gaan wonen, het liefst hoog
en droog, met zoetwater in de buurt, maar ook bescher
ming tegen water van de zee en rivieren. Bij onderzoek in
Veenhuizen is de vraag of nog iets van de oude veen
ontginningen zichtbaar is in de vorm van veraard veen
(veen dat enige tijd aan het oppervlak heeft gelegen) of
opgeworpen terpen, waardoor we weten dat het veen
bewoond kan zijn geweest, of dat er juist hogere delen in
de vorm van kreekruggen of oeverwallen aanwezig zijn.
Langs de Kerkweg zijn diverse booronderzoeken uitge
voerd. Daarbij werd overal bevestigd dat de ondergrond
bestaat uit getijdenafzettingen van de periode toen
de Noordzee tot diep in het land doordrong en er dus
getijdenwerking was: eb en vloed. Er zijn wadafzettingen
aangetroffen (‘waddenzand’). Op een aantal plaatsen
zijn ook kreekoeverafzettingen vastgesteld. De oever van
een kreek is zo’n hoger plekje in het landschap, dat juist
geschikt was voor bewoning. Bij het vervolgonderzoek,
toen er ook gegraven werd bij de Kerkweg, zijn deze
afzettingen niet aangetroffen.
Veen is op diverse locaties waargenomen, maar er was
geen veenpakket over een groter gebied aanwezig. Op
enkele plaatsen was het veen veraard. Oudere sporen
dan die uit de middeleeuwen zijn echter nergens aange
troffen.
Tijdens het archeologische onderzoek aan de Kerkweg
kon onderzoek bij de Groenedijk worden verricht. Daar
bij is een fasering in de dijkopbouw vastgelegd, waarbij
zichtbaar werd dat op de natuurlijke getijdenafzettingen
diverse lagen van plaggen van veen en klei zijn neer
gelegd. Herstel- en verstevigingslagen konden worden
vastgesteld. Ter voorbereiding van een latere onverharde
Mn
air
i.g I
Afb. 1 De wegen in de Heerhugowaard en Veenhuizen in 1730,
op de nieuwe caarte Dykgraafschap van West-Vriesland. Hierop
staat ook de ‘Oude May Dijk Sloot’ aangegeven.