763 Achter de toneelzaal in de steeg stond een boet. Daar woonden in die tijd twee vrijgezellen. De een heette Egbert en de ander werd Jan Boet genoemd. De laatste heette eigenlijk Jan Midavaine. Daar moest ik langs als ik naar Anna van Jaap Kool ging. Heel vaag kan ik me nog de kaasfabriek herinneren, die later is omgebouwd tot smederij. Toen de afbraak daar aan de gang was, heb ik er mooi krijt gevonden om op de weg te tekenen. De smid Jaap Lont zie ik nog zo voor me. Ik kwam daar vaak kijken naar het beslaan van de paarden. Ik meen dat het een paard van Jaap Kool was dat eens dood omviel, terwijl de smid bezig was met beslaan, maar dat weet ik niet zeker. Je kon de smederij aan twee kanten binnen komen, zowel vanaf de Gemeenelandsweg als vanaf de Kerkweg. In het begin hing de brievenbus aan de smederij. Deze werd later verplaatst naar de hoek vooraan bij het MUZpark. Dat vond de smid niet zo leuk. Vooral in het begin reed hij als een Razende Roel op zijn fiets naar het MUZpark als hij een brief moest posten. Hij reed dan natuurlijk bij ons langs en er werd bij ons dan heel wat commentaar geleverd op die ritjes. Jaap Lont had drie kinderen, Geer, Marie en Cor. Geer was hulp in de huishouding bij Meester Boon en zij was voor Ineke wat Anna voor mij was. Marie werkte jaren later in Amsterdam en woonde in dezelfde flat als mevrouw Daan, die een proefschrift schreef over Wieringen. Marie kwam toen nogal eens bij ons thuis en zij en ik hebben samen voor mevrouw Daan geprobeerd Wierings te praten. Of dat erg gelukte weet ik niet meer. Tegenover de smederij woonden de families Berghorst en Van Sabben. Dries Berghorst was de vriend van Herman Doesburg en Frans was een van onze kornuitjes. Samen met Peter Overeem en Frans vormden Ineke en ik een aardig viertal Prien van Sabben was jonger en trok meer met Nan Metselaar op. Van de familie Berghorst kan ik me herinneren dat ze daar een duif in een kooi binnen hadden hangen. Altijd als ik later een duif zag moest ik aan de Berghorsten denken. De Berghorsten en de Van Sabbens waren familie van elkaar. Ze hadden bovendien nog familie in Hippo, namelijk de familie Hartog met dochter Loes. Als Loes op bezoek was speelden we wel met haar. Ik hoorde dat Bertha Hartog (Berghorst?) pas is overleden op 97-jarige leeftijd. Zo af en toe hoor ik nog wel eens wat over Loes door middel van Inez, die ook later nog contact met Loes had. Dan komen we bij de Bakkers: Nan aan de ene en Meijert aan de andere kant. Nan had twee kinderen, een generatie ouder dan ik. Een zoon en een dochter. De zoon heette ook Nan naar ik meen. Op de een of andere manier was mijn moeder familie van Geertje Kuut, de vrouw van Nan, maar hoe dat zat weet ik niet. De dochter had dezelfde problemen als mijn moeder bleek later. Ze waren allebei rhesus negatief.Dat was in die tijd heel ernstig, omdat de antistoffen die werden aangemaakt het krijgen van meer dan één kind verhinderden. Bij Nan Bakker speelden we in het hooi. We slingerden aan een touw over het lege gedeelte van de hooibergplaats. Over het algemeen mochten we veel bij Nan Bakker: mee naar het land mét ome Nan Takes en dan later de paarden naar het land brengen en op het erf spelen. Later, in de hongerwinter, mijn vader in Duitsland, kwamen mijn moeder en ik er vaak, maar dat is een ander verhaal en past nog niet in de tijd waar ik het nu over heb.

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Op de Hòògte | 1995 | | pagina 20