429 Jacob zei daarop:"Wat doen we hier dan nog?" En ze vertrokken. Ze zeiden goedendag, maar niemand zei wat terug. Aarjen vroeg aan Jacob:" Als je je eten op hebt, ga je dan weer naar het kaagschip?" En dat gebeurde. Op 2 december gingen Aarjen en zijn knecht Gerrit met hun schuit ook weer naar het wrak, maar door de harde wind konden ze niets uitrichten.Omdat Jacob Omis met zijn schip op het wrak paste, gingen ze weer naar de wal.Na de middag kregen ze opnieuw een teken van Jacob dat hij nog een lijk gevonden had en dus gingen ze er weer heen.Het gevonden lijk was dat van Dirk Schutter, de zwager van Aarjen. Ze brachten het lijk met nog enige goederen naar de wal. Die avond werd Aarjen gevraagd in de herberg te komen. Daar was kaagschipper Jacob Botter met lichterschipper Jan Mulder en verder Dirk Mulder en Nan Scheltus. Ze zeiden bij geruchte vernomen te hebben, dat hij-Aarjen- de kaag verwaarloosde. Dat kon niet anders dan kwaadsprekerij zijn. Aarjen zei:"Ik neem de verantwoording op me en ik heb orders naar beste goeddunken met het schip te handelen. Ik wil graag jullie advies, wat ik het beste kan doen." Aarjen voelde zich verplicht om allereerst de burgers van Den Oever te vragen om een vaartuig met het benodigde volk tot algemeen nut en voordeel van weduwen en wezen, ondanks dat ze hem niet zo prettig behandeld hadden. Ondertussen kwam ook zijn broer Jan de herberg binnen. Ze vroegen aan hemof hij de Kapelvoogden wilde vragen hier te komen. Dat deed hij en toen kwamen Dirk Schik en Harmen Vet, regerende Kapelvoogden, en Jan Klaasz.oud-Kapelvoogd Aarjen deed zijn voorstel opnieuw.De Kapelvoogden zeiden daarover niet te kunnen beslissen, dat moest de hele burgerij van Den Oever doen. Dus werd de omroeper rondgestuurd. Enige tijd later werd schipper Jacob Botter, en niet Aarjen Louris die 't voorstel gedaan had, verzocht in de Kapel te komen. Jacob Botter ging erheen en na lang heen en weer gepraat, volgens het verslag van Jacob, moest hij tegen Aarjen zeggen, dat hij géén vaartuig en géén bemanning kon krijgen. Zij wilden de kaag gratis redden, maar de berglonen van de lading moesten betaald worden. En verder was beslist dat Aarjen met zijn schuit, zijn knecht en zijn broer Jan niet mochten meehelpen. En Jacob Omis met zijn knecht en zijn lichter ook niet.Jacob Botter had aan de Kapelvoogden gevraagd of ze Aarjen niet bekwaam vonden. Ze zeiden, dat ze dat niet konden zeggen. Aldus het verslag van Jacob Botter. Aarjen was er kwaad over en wilde niet van zijn plan afzien. Hij hoopte 't zelf te kunnen redden. Dat voornemen prees Jacob Botter. En met dit verhaal ging Jacob weer naar de Kapel.Daar zeiden ze toen, dat ze Aarjen en Jacob Omis boete zouden geven en dat ze een jaar van de Kapel werden uitgesloten. En Jan Louris voor z'n verdere leven (omdat hij als Kapelvoogd beter had moeten weten).Bovendien zouden ze geen materialen,zoals pompen,hout of iets anders van de Kapel mogen gebruiken. Aarjen meende nu de vrijheid te hebben zelf een schuit met bemanning samen te stellen. Hij vroeg schipper Botter om volk aan 't andere einde van Wieringen te werven.Dat ging Botter doen. Aarjen ontmoette ene heer Casenbroot, kaagschipper op Amsterdam, die toevallig aangeland was. Aarjen vroeg, of hij met zijn schip en bemanning behulpzaam wilde zijn. Die vond dat goed. Toen zijn Aarjen en Jan naar de Kapelvoogden gegaan om een pomp te vragen.'t Kostte veel moeite ze te spreken te krijgen, maar eindelijk konden ze vragen

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Op de Hòògte | 1993 | | pagina 31