427 uitgestuurd om nog een paar man te vragen om mee te gaan. Eèn nam het meteen aan, maar een ander had geen zin.Dus zijn ze met z'n vieren (Aarjen, broer Jan,knecht Gerrit en de 4e man) omstreeks acht uur naar Aarjen zijn schip gegaan. Het weer was nog behoorlijk ruw en er stond zo'n hoge vloed, dat ze niet de zee durfden op te gaan.Om circa tien uur waagden ze het erop. Ze zagen dat nog steeds niemand aanstalten maakte om te gaan helpen. (Dat klopt wel! Cornelis Kalf had immers niets gedaan. Aarjen en zijn maten zondigden wel tegen de regels van de Schipperij en riskeerden een boete van honderd gulden door zonder verder overleg te gaan redden.) Ze zeilden dus weg, maar meteen van de wal af kregen ze een geweldige bui.Het lukte echter om ongeveer elf uur het vastzittende schip te bereiken. Ze zeilden er zo dicht mogelijk naar toe en riepen met luide stem of er nog mensen aan boord waren. Ze riepen drie keer en zeilden zo dicht mogelijk bij, zodat ze de boot zelfs meenden te raken.Maar ze hoorden geen geluid en ze bespeurden geen mens.Ze zagen wel, dat de dekluiken al van de boot afgespoeld waren en dat de zee er steeds over liep.Vanwege de duisternis durfden ze niet aan boord te gaan. Daarom zeilden ze weg en gingen naar de boot van Jan KooijDie lag daar niet ver vandaan voor anker,die had door de storm ook aan de grond gezeten. Op dit schip waren nog lui aan boord en Aarjen vroeg:"Weten jullie ook of er al een schip bij die andere schuit geweest is?" Ze zeiden:"Jawel, en we zagen in het schemerdonker daar ook nog twee mensen achter op het schip." Aarjen dacht nu, dat die mensen dan wel op dat schip gegaan zouden zijn en wel behouden waren.In dit vertrouwen gingen ze terug naar de wal en kwamen daar om ruim twaalf uur aan. 's Morgens om vijf uur vertrokken ze weer en kwamen rond zes uur opnieuw bij dat schip.'t Mislukte wel twee of drie keer om vast te maken. Ze kregen zelfs nog schade aan de boeg, zo ging de zee nog te keer, maar eindelijk lukte het.Toen zagen ze ook dat het een Amsterdamse kaag was. Aarjen ging aan boord om te kijken of er toch nog mensen in het schip waren. Hij klauterde over het zeil en enige stokken naar het achterschip.Bij de roef zag hij een been van een mens uit de roefdeur steken.Hij kon er niet bijkomen, omdat de zee er nog gedurig overheen sloeg. Aarjen ging haastig aan het opruimen en de anderen hielpen hem. Er dreef hout in de roef en het lukte met veel moeite het lijk uit de roef te krijgen en in hun schuit te brengen. Ze wisten niet wie het was. Ondertussen is gelukkig Jacob Omis met zijn lichterschip er bij gekomen en die heeft ze geholpen. Jacob vond bij het opruimen een zakje met schoon goed in het achteronder.Aan het merk dat erop stond, zag hij dat het van Dirk Schutter was. Dat was een zwager van Aarjen Louris. Jacob veronderstelde, dat Dirk wel verongelukt zou zijn.Hij liet een arme weduwe met drie kinderen achter. Dat was voor Aarjen nog meer reden om hier te blijven en zo mogelijk het lijk van Dirk te vinden. En toen ging bij hen in de buurt Dirk Jansz Schik ten anker. Hij was Kapelvoogd in Den Oever en hij had verscheidene mannen aan boord. Dirk Schik kwam met zijn schip langszij en hij liep Jan Louris, die ook Kapelvoogd was, zonder spreken voorbij. En dat deed hij ook met schipper Jacob Omis. Dirk Schik zei op kortaffe toon tegen Aarjen:"Wil jij wel of niet naar Jan Kooij gaan?" Waarop Aarjen vroeg:"Waarom?" Dirk zei:"Als jij daar niet heen gaat, zal niemand zijn handen aan Jan Kooij slaan." Hij bedoelde,dat Jan Kooij van niemand hulp zou krijgen.

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Op de Hòògte | 1993 | | pagina 29