426 CONFLICT KAPELVOOGDEN EN AARJEN LOURISZ. Op vrijdag 28 november 1777 in de namiddag zag Aarjen Lourisz, schipper van een voorzeilderschuit, dat er een flinke storm kwam opzetten.Hij zag vanaf de wal (Den Oever)dat er twee lichters of kaagschepen aan de grond zaten, de één bij de Horn en de ander bij de Zeug. Hij kon niet zien van wie de schepen waren of waar ze vandaan kwamen.Maar hij vond wel dat hij hulp moest bieden. Dus hij ging zijn knecht,Gerrit Abrahamseopzoeken.Die vond hij tussen een mensenmenigte op de dijk. Aarjen zei:"Kom Gerrit, laten we de zeilen hij sen."Ze gingen met z'n tweeen aan boord en togen aan het werk.Toen ze bijna klaar waren, kwam Cornelis Kalff voorbij.Die vroeg,of hij ze moest helpen,maar Aarjen zei:"Ik heb liever dat je naar de Beurs gaat of naar al dat volk en vraag of een man of vier willen meevaren." Aarjen stuurde Cornelis Kalff dus weg om dat te regelen. Ondertussen kwamen van 't ene vastzittende schip de mensen naar de wal.Zij waren aan boord van een haringschuit weten te komen en weggevlucht van hun eigen schip. Achteraf blijkt dat door Cornelis Kalff alles mis ging..Hij ging helemaal niet naar de Beurs om de boodschap door te geven.Hij zei later,dat hij dat niet gehoord had, want anders zou hij zeker zelf ook met zijn schip en zijn knecht zijn leven gewaagd hebben. In ieder geval wisten de mensen van dat ene schip aan de wal te komen.Aarjen ging naar ze toe.Hij kwam daarbij voorbij de Beurs.Daar stond Pieter Reiniers en die zei:"Zou er geen jonge kerel naar toe moeten?"Aarjen antwoordde:"Dat moet je zelf weten."En hij liep op zijn grote laarzen verder. Onderweg naar de haringschuit hoorde hij al, dat het Jan Kooij was, die aan de wal was weten te komen.En Aarjen ontmoette hem met zijn zoon.Aarjen verwelkomde Jan vriendelijk en probeerde hem te troosten.Hij stelde voor om naar zijn huis te gaan, want die mannen waren doornat en verstijfd van de kou.Dat gebeurde en Aarjen verzorgde ze zo goed mogelijk. Ondertussen kwam Jan Louris, de broer van Aarjen, langs om de slachtoffers te begroeten.Hij zei, dat de zoon van Jan Kooij wel bij hem kon slapen.Toen zo thuis de zaken geregeld waren, zei Aarjen tegen Jan:"Ik voel me toch verplicht om naar dat andere vastzittende schip te gaan om te zien of ik daar nog kan helpen. Ga je mee?" Jan was timmerman en geen schipper, maar hij besloot toch mee te gaan.Aarjen zei:"Maak je maar klaar en na het eten (het was ondertussen 6 of 7 uur) zullen we kijken hoe het weer is."Het was ondertussen ook donker en van de Schipperij hadden ze nog niet gehoord of het al geregeld was om dat schip te redden. Aarjen vroeg aan Jan Kooij:"Ga je ook mee?" "Ja,"zei Jan, en samen gingen ze daarop naar lichterschipper Cornelis Metselaar.Dat was nog familie van Jan KooijZe waren van plan Cornelis te vragen de volgende morgen met Jan Kooij naar die zijn schip te zeilen. Toen ze bij Cornelis kwamen, vertelden ze hun plan.Aarjen zei:"En ik ben van plan snel naar dat andere schip te gaan Cornelis Metselaar schonk geen aandacht aan deze opmerking.Hij zei ook niet, dat hij of zijn knecht wel mee wilden gaan.Hij beloofde wel, dat als het weer beter werd om met Jan Kooij naar zijn verlaten schip te gaan. Aarjen zei nog tegen Cornelis:"Als ik bij dat andere vastzittende schip kom en ik heb meer hulp nodig, dan zal ik de vlag laten wapperen." Aarjen ging daarna meteen naar zijn knecht Gerrit Abrahamse en heeft die

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Op de Hòògte | 1993 | | pagina 28