283 DIAKENEN Vanaf het eerste begin leefde binnen de doperse gemeenten het besef dat geen van de leden gebrek zou mogen leiden, dat de behoeftigen dus gesteund moes ten worden. Si j bewijsen Barmhertigheydt ende liefde, sooveel als in haer is- Si j laeten geenen Beedelaer onder haer sijn"zo hield Menno Simonsz het zijn volgelingen voor. In enkele van de allereerste gemeenten had dit idee zelfs tot een volledige gemeenschap van goederen geleid. Maar meestal ging men. ook in de beginperiode - niet zo ver en erkende men het recht van de leden op persoonlijk bezit. Wél was men sterk doordrongen van het besef dat men slechts rentmeester was over zijn goederen en dus ervan behoorde uit te delen als dat nodig was. De doperse opvattingen legden op practisch christendom een zwaar accent; dit concretiseerde zich in de eerste plaats binnen de eigen gemeente. De zorg voor hulpbehoevende broeders en zusters was opgedragen aan enkele leden van de kerk of dienaarschap. Soms waren dat, in kleinere plaatsen vooral, de oudsten; in andere gevallen waren dat speciale diakenen of armendienaarsZij waren het die de noodzaak tot ondersteuning vaststelden en vervolgens een beroep op de leden deden om middelen te verschaffen tot leniging van de nood. Veelal werd voedsel en brandstof, kleding en schoeisel in natura verstrekt. Weeskinderen en hulpbehoevende ouden van dagen werden uitbesteed bij andere leden van de gemeente - veelal tegen vergoeding-. Waren de doopsgezinden opvallend royaal voor hun armen Men zou het denken als men leest dat de calvinistische predikant Caspar Grevinckhoven te Rotter dam van hen zegt dat ze door gaven ende handreyiinge te doen, hier ende daer de sommige tot haar trekken, derwelkerbuyk haren God is". Met andere woorden- men was bij de doopsgezinden extra vrijgevig om zieltjes te winnen Men kan het echter ook anders zien. De calvinist Trigland hekelt zijn eigen kerkgenoten door t zó te zeggen De weder-dooperen en gebrui ken bijna anders geen argument om de lieden van ons af te trecken, als dit: Siet, zeggen zij, hoe schoon zijn zij de calvinisten opgepronckt Hoe zijn zij met gouwt ende zilver behangen Hoe zijn zij versiert Soude dat de gemeinte Godts wesen Soude dat Godts volk zijn LEVENSLANG De eerste elf diakenen op de bewaard gebleven lijst waren Jan Bakker overl. 1721,Jan Grint overl. 1728, Jacob Schoenmaker overl.1732, Albert C.Kinne overl.1728, Dirk Luitjes overl. 1749, Frans met Sinne overl.1739, Pieter J. Wagenmaker overl.1743, Simon D.Bais overl. 1776, Simon J.de Wit overl.1784, Cornelis A.Klein overl.1751, Jan S.Kuut overl 1790. We hebben achter hun namen het jaar van overlijden genoteerd om daarmee aan te geven dat zij vanaf hun verkiezing tot hun dood in functie bleven. Voor sommigen was dat héél lang: Simon Bais 37 jaar, Simon J.de Wit 41 jaar en Jan Kuut bijna 40 jaar. Het is begrijpelijk dat sommige broeders daar toch wel bezwaar tegen maakten. Na het overlijden van de diaken Frans met Sinne gaf dat blijkens de notulen van de kerkeraad aanleiding tot discussie, maar tenslotte werd in de vergade ring van 1 februari 1739 onder leiding van de leraar Frans Alberts Vrijer uit Barsingerhorn bij meerderheid van stemmen besloten aan de oude gewoonte levenslang vast te houden en de zaak te laten zoals hij was. De keuze viel toen op Simon Dirks Bais, die door de leraar Klaas Hartog uit Middelie op 26 april 1739 werd bevestigd. bijlage 3: Diakenen op Wieringen)

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Op de Hòògte | 1992 | | pagina 13