arm" bij Johanna thuis bezichtigd. Steeds verzekerde hij dat hij de zaak meester was. "In afwachting van beterschap na zoveel troostrijke beloften is mijn huis vrouw Johanna Boogers, huismoeder van verscheidene kinderen en die het grootste gedeelte van ons huishoudelijk bestaan uitmaakte, nog voor twee uur 's middags door een spoedige en onverwachte dood aan mij ontnomen", eindigt het verslag van Jan de Ridder. Vervolgens is het lijk is op maandag 1 oktober 1822 om 5 uur 's middags ge schouwd door de heren Nicolaas Cornelis de Fremerij (doctor en hoogleraar in de geneeskunde), Bernardus Frans Suerman (doctor en hoogleraar in de geneeskunde) en IJsbrand de Koek (doctor in de genees kunde). Zij verklaren "dat het lijk uitwen dig in goede staat was en bleek te zijn van een welgevoede, niet ziekelijke vrouw - behalve de rechter hand, arm en schou der, die zich in de volgende toestand be vonden. De duim van de rechterhand was in verstorven staat, de opperhuid zat overal los, bij het gewricht in het midden van de duim was een kleine ondiepe ope ning in de huid waaruit enige etterstof gevloeid was. Toen de duim verder werd geopend, bleek ten eerste dat zich een klein abces geplaatst had op het been vlies, onder de scheden van de duimpe- zen, waarin vrij veel etterstof zat. Al deze lichaamsdelen droegen de kenmerken van een hevige ontsteking. De hele rech terhand was door het koudvuur aange daan. De stevige opperhuid gleed, vooral in de handpalm, als een handschoen van de huid af. De huid zelf was overal zwart en in volkomen versterving overgegaan. De onderarm, vooral aan de binnenzijde en op de polsaderen, was ook door het koudvuur aangedaan, zij het meer opper vlakkig en met overal blaren met zwart bloederig vocht. De bovenarm was even eens door gangreen aangedaan; minder diep dan aan de onderarm en hand, maar de verstorven blauwe vlakken strekten zich, steeds lichter en oppervlakkiger wordende, uit tot op de borst, langs het sleutelbeen tot vlak bij de bovenzijde van het borstbeen. Uit de toestand van het lijk van deze vrouw blijkt duidelijk dat zij geleden heeft aan een ziekte bekend onder de naam fijt, en dat deze zat onder de scheden der pezen aan de duim en het beenvlies. De fijt is niet door een incisie geopend, wat bij deze ziekte het veilige redmiddel is. Er is koudvuur ontstaan dat zich langs de gehele arm tot op de borst zich verspreid heeft en de oorzaak is geweest van de ontijdige dood van deze overigens gezon de vrouw." Voor het gerecht Het komt tot een rechtszaak. Wessel van der Lee, dan 46 jaar oud, wordt voor het gerecht gedaagd. Op 10 december 1822 doet de rechtbank uitspraak. De rechtbank stelt dat de beklaagde zo veel vertrouwen inboezemt bij de perso nen die zijn hulp inroepen, dat zijn raad gevingen gelijk staan aan bevelen. Boven dien is de beklaagde al een keer veroor deeld wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde. Over het drama van vrouw De Ridder zegt 83

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Een Nieuwe Chronyke van het Schermereiland - Graft-de Rijp en Schermer | 2004 | | pagina 25