56 Onder druk van Parijs was het "bewind van de Raadspensionaris inmiddels ver vangen door dat van Lodewijk Napoleon en had de Bataafse Republiek plaats ge maakt voor het Koninkrijk Holland. Op voordracht van Schimmelpenninck was Ver Huell aan het hoofd van een delegatie naar de keizer afgevaardigd met het ver zoek zijn broer aan het hoofd van de regering en het land te plaatsen. Persoon lijk bezocht hij daarna de prins en zijn echtgenote Hortense te Saint Leu. Tot december 1807 bleef Ver Huell nog aan als Minister van Marine doch een verschil van mening met de koning over het belachelijk lage marinebudget van millioen werd de aanleiding tot zijn ontslag. De koning zond hem naar het hof van de tsaar maar dank zij een persoonlijk ingrijpen van de keizer, kwam hij uiteindelijk in Parijs terecht. In 1809 keerde hij naar Holland terug als comman dant en chef van de zeemacht aan de Maze en toen de keizer in 1810 heel ons land annexeerde, benoemde hij Ver Huell tot Vice-Admiraal van Frankrijk en comte de 1'empire. Hij belastte hem met het bevel over de schepen die de kust van Delfzijl tot Danzig moesten bewaken ter handhaving van het gehate Continentale Stelsel. In 1811 volgde zijn benoeming tot Algemeen Bevelhebber over de vloot en Inspecteurs-Generaal der Maritieme Etablissementen in het noorden des rijks met als standplaats Hamburg. Na de doo:dvan admiraal De Winter in 1812 wordt hij onverwacht benoemd tot bevelhebber van het Texelse eskader. Hij moet zich hier in z'n element gevoeld hebben. Terug in het vertrouwde Nieuwediep, terug op de schepen die hij zelf heeft doen bouwen, terug op de basis met haar in aanbouw zijnde magazijnen, schepping van de bekwame bouwmeester Jan Blanken, terug in het "Gibraltar van het Noorden". Het eskader bestond uit negen linieschepen en vier fregatten alsmede een flottielje op de Wadden- en Zuiderzee ter bestrijding van de sluikhandel. Hij scheept zich in aan boord van "De Kroonprins" en herstelt de inwendige dienst zoals deze indertijd door Van Kinsbergen was ingevoerd. Om zijn gezag te handhaven plaatste hij Franse offi cieren op schepen met een Nederlandse bemanning en omgekeerd Nederlandse offi cieren op schepen met een Franse equipage. "Onder Ver Huell werd met lust door de gemengie états-major en équipages gediend" schrjift Mollema. Als echter de geruchten over de brand van Moskou, de tocht over de Berezina en uiteindelijk, na een korte opleving, de fatale slag bij Leipzig bevestigd worden en de Franse bezetting van fort Lasalle zich afvraagt in hoeverre hun Nederlandse opperbevelhebber nog betrouwbaar is, geeft hij hen duidelijk te ver staan dat hij zijn eed van trouw aan de keizer niet zal breken. Hij wil echter ook geen strijd met het militie-legertje dat de stelling van Den Helder heeft ingesloten. Hij wenst noch Nederlands bloed te vergieten, noch het marine-éta blissement of de prachtige vloot in gevaar te brengen. Hij wecht de ontwikke ling der gebeurtenissen af en als het wachten hem te lang duurt, zend hij zijn adjudant De Rijk naar de keizer om die in staat te stellen zijn orders te geven. Na tweemaal de Engelse linies met succes te hebben doorbroken komt De Rijk op 25 maart 1814 terug met de opdracht het verzet nog zes weken vol te houden. Ver Huell voldoet aan dit bevel en eerst als op 29 april 1814 een Frans offi cier het bevel tot overgave vanwege Koning Lodewijk XVIII aan Ver Huell over handigde en hij had bereikt dat de Franse bezetting onder vrijgeleide naar Frankrijk mocht uittrekken, capituleerde admiraal Ver Huell op 4 mei 1814 Den Helder was vrij. De burgerij had de belegering overleefd en kon dankbaar en blij de driekleur uitsteken. Na tevergeefs zijn diensten aan koning Willem I te hebben aangeboden vertrok Ver Huell naar Frankrijk. Zijn standvastige houding en zijn trouw aan zijn eens gegeven woord werd niet begrepen, laat staan gewaardeerd. Zou het bij gelegenheid van de viering van het feest van "la rue du Helder" geen passend eerbewijs zijn om een van de Helderse straten naar deze grote vloot voogd en commandant van de stelling van Den Helder te vernoemen? Waar Jan Blanken zijn straat kreeg mag Carel Hendrik Ver Huell toch feitelijk niet ontbreken. M.M.J. HOOGENBOSCH.

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Levend Verleden | 1989 | | pagina 8