De boeren in hun West - Friese stelpboerderijen hadden een redelijk bestaan, de arbeidersgezinnen in hun piep kleine huisjes waren er slechter aan toe. Ook bij Jan Duim was het krijtende armoe. Jan en zijn vrouw hadden vier kinderen. Hun oudste, een meisje van een jaar of twaalf, werkte sedert korte tijd als hulpje van de boerin. Niet dat ze daar veel verdiende, maar alle beetjes hielpen en betekende ook 's middags één eter minder aan tafel.. Jan werkte van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Iedere dag begon hij met het melken van de koeien en het voeren van het vee en vervolgens was het schoon maken van de stallen aan beurt. Daarna was hij de gehele dag bezig in en rond de boerderij. Aan het eind van de dag moest hij opnieuw melken en daarna de beesten weer voorzien van eten en drinken. 's Zondags moest hij opdraven om te melken en het vee te verzorgen. Iedere zaterdagavond overhandigde hij zijn vrouw het verdiende weekloon, zes harde guldens. Moeder Jannetje had de grootste moeite met dit geld rond te komen. Ze had nog drie jongens in huis, die samen onder één deken in een kleine bedstee moesten slapen. Het gebeurde meer dan eens dat er geen geld in huis was om brood te kopen en dan moest ieder zijn honger met een wortel stillen. En nu had Jan het met zijn boer en boerin niet eens slecht getroffen. Naar gewoonte liep hij iedere avond nog even bij hen binnen om te vertellen dat alles weer in rust en orde was verlopen en dan lagen er een paar flink gesmeerde en belegde boterhammen voor hem klaar. Het was de bedoeling dat hij die consumeerde, het zou zijn arbeidsvermogen goed doen! Niet altijd voldeed Jan ten volle aan deze wens... Hij liet vrouw en kinderen wel meedelen in deze traktatie. Naast de wens om meer te verdienen koesterde Jan nog een andere: Graag wilde hij een akkertje hebben, waarop hij wat aardappelen en groente kon verbouwen. Dat zou zijn gezin flink ten goede komen. Vermoedelijk waren er meer arbeiders, die deze wensdroom koesterden en was dit de dominee ter ore gekomen. Toen de kerkelanden weer verhuurd zouden worden, stelde dominee aan de kerken raad voor om één stukje weiland niet te verhuren, maar dat in gebruik te geven aan de boerenarbeiders van de gemeente, zodat dezen er akkertjes van konden maken. Op die manier kregen deze mensen een iets beter bestaan. Na enig gehakketak stemden de broeders in met het voorstel van hun predikant. Jan was blij en hij werd nog blijder, toen zijn boer een stelletje poters voor hem wist en hij ook geschikt aan wat zaad kon komen. 97

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 2002 | | pagina 99