andere Wagenaars Reeds vroeg leerde Anton Wagenaar hoe je je evenwicht op de fiets moest bewaren en je al trappend en sturend kon voortbewegen. Maar dat ging niet zonder vallen en opstaan! Zo kon het gebeuren dat Anton met iets te veel vaart een bocht wilde nemen en op die manier uit de bocht vloog en in een daar groeiende heg tot stilstand kwam. Pre cies op die plek hadden net de besprekingen van één der beurzen, die St. Pancras toen rijk was, een aanvang genomen en begonnen de leden op stoom te komen over de vaart der volkeren en in het bijzonder over de vaart, die naar de veiling leidde. Hun aandacht werd afgeleid door Antons kapriolen en de mannen begonnen de in zijn vaart gestuite jongeman rijkelijk te voorzien van hun goede raadgevingen. Omstreeks 1925 mocht de 7-jarige Anton met vader Wagenaar mee op de fiets aardbeien wegbrengen naar groenteboer Jo Adams in de Langestraat. Op die tocht zakte hij in de Houttil door zijn fiets. Op de Geest in de broeibakken - waarin aanvankelijk alleen koolplanten werden geteeld - verbouwde Cornelis Wagenaar naast aardbeien ook komkommers en meloenen en later bloemen als chrysanten en vuurpijlen. In de crisistijd was vader Wagenaar bijzonder in zijn nopjes toen deze berekende dat hij in een afgelopen seizoen van de geest 300,— had gehaald. Jan Kooy, die na zijn lagere schooltijd eerst twee jaar elders had gewerkt, werd daarna arbeider bij Cornelis Wagenaar. Het eerste jaar verdiende hij 6.- per week, het tweede 7,50 en het derde 9,— en daarvoor werd van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gewerkt, 's zaterdags tot een uur of vijf en at hij bij de baas een boterham mee. Cornelis Wagenaar was in St. Pancras geboren, maar zijn vader en grootvader wa ren geboren en getogen in Broek en hadden daar geleerd hoe je (bloem)kool en wortelen moest verbouwen en in die kunst hadden zij Cornelis onderwezen. Kool leggen (stapelen) kon hij bijzonder goed - je kon over zijn stapel kruipen zonder dat er ook maar iets naar beneden rolde. De wortelen werden als volgt gerooid: eerst werden de te oogsten wortels op de akker door en door nat gegooid. De volgende morgen vroeg trok men ze uit de grond en bond ze tot bossen. Vervolgens werd een net in de sloot gegooid en daarin werden de nogal bemodderde wortels gegooid en vervolgens heen en weer geschud totdat ze schoon uit het water kwamen. Het slootwater was toen nog niet vervuild. Men dronk het wel zo uit de sloot. (1920) 148

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 2002 | | pagina 150