deed zelfs nog een volgende stap: hij begon in bollen te handelen en vermoedelijk gaf dat laatste hem de meeste voldoening. Toen hij begon met de tulpenteelt mocht men dit nog zonder speciale vergunning doen. In de crisisjaren raakte de tulpenmarkt verzadigd en voerde de regering het vergunningstelsel in. Tijdens de oorlog bleef hij bollen kweken. Veel bollen werden toen aan Duitsland verkocht. In de eerste naoorlogse jaren ging ca. 30 van de bollen in het 'surplus'. Deze bollen waren over en mochten niet worden verkocht, ze werden van de markt gehaald om vernietigd te worden. Gerbrand Duif dempte er een 'zaksloot' mee. Anderen vermaalden de surplus-bollen. Vermoedelijk konden ze nog dienst doen als veevoer. Toen had Jan de akker reeds vaarwel gezegd en mocht hij zich bloembollencom missionair noemen. Ook zijn zonen Kees, Jaap en Piet werkten later in de commissiehandel. De verwachting, die vader Jan en zoon Kees omstreeks 1950 hadden, dat de tulpenhandel, omdat het een luxe artikel betrof, mettertijd wel een zachte dood zou sterven, kwam niet uit. Integendeel, er kwam steeds meer export. De handelaars maakten overal reclame voor hun product en waren daarin zeer vindingrijk, bijvoorbeeld: Eén van hen stuurde zijn zoon naar Zweden om daar de taal te leren. Toen de jongeman deze taal voldoende machtig was, stuurde zijn vader hem op pad met de opdracht: Je gaat allereerst naar het noordelijkste puntje van Zweden en vervolgens daal je langzaam af naar het zuiden. Ieder kassenbedrijf dat je ziet, stap je binnen en je brengt die mensen op de hoogte van de mogelijkheden van de sierbloembollenteelt en de vooruitzichten die de snijbloe-menhandel hun biedt." Door op deze manier reclame te maken wist de Nederlandse bloembollenhandel heel wat afzetgebieden aan te boren en nam de export steeds groter vormen aan. Het boilenareaal, dat zich aanvankelijk beperkte tot de streek rond Hillegom, Sassenheim en Lisse, breidde zich steeds verder uit. Eerst in Noord- en Zuid- Holland, later in de Zuiderzeepolders en in andere Nederlandse provincies. Aanvankelijk gold ook voor de omgeving van St. Pancras dat hier steeds meer bol len werden geteeld. Deze toename stopte omstreeks 1975-1980. Op andere plaatsen gaat momenteel de groei nog steeds door. 146

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 2002 | | pagina 148