-57- kreeg onze man, hij heette Broest, een gevoel alsof hij poepen moest. En steeds maar groter werd de nood, hij wist geen raad, zijn angst was groot. Waar kon hij hier met goed fatsoen, zo gauw zijn grote boodschap doen De een'ge oplossing was zijn ei te leggen in het gras. Een endje verder, bij een struik zei hij opeens: "Zeg broeder Kruik loop jij maar even langzaam door, ik ben in een wip weer bij je hoor". Hè, hè, vlug even uit de broek, hij bakte een-twee-drie een koek, waarop zijn vrouw jaloers kon wezen, licht bruin van kleur en mooi gerezen. Hij liet een zucht, toen 't was gedaan: dat was hem netjes afgegaan. En nu nog gauw een stuk papier, dan kon hij vrolijk weer van hier. Maar och, helaas, wat een verdriet, wat hij moest hebben, had hij niet... Zo zat hij een minuut of vijf, och, lieve help, wat werd hij stijf, van steeds maar op zijn hurken zitten, hij kon hier toch niet blijven klitten, op 't zelfde plekje, waar het ook na een'ge tijd niet fris meer rook. Maar toen de nood het hoogste was kwam ook als steeds de redding ras. Want plotsling voelde hij een hand die zachtjes veegde langs de billen-rand, en hoedzaam zijn derrière en gatje schoon streek met een watje. Nu vraag ik u, wie heeft deez' daad verricht wie deed hier zo getrouw zijn plicht Wie was als steeds paraat en toonde zich een man-van-daad Wie gaf, zonder één woord te kikken in deez benauwde ogenblikken Zonder dat hem dit verdroot

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 1995 | | pagina 63