Pas later, het moet omstreeks juni '44 zijn geweest, ging ik naar het hoofd van de christelijke school, meester Monster, die ik kende omdat hij mij Franse bijles had gegeven - en zei hem dat ik 'in de ondergrondse' wilde. Waarom ik daarvoor juist bij hèm kwam? Ik zei hem dat iemand (J.M.) mij gezegd had dat hij er bij hoorde. Daarover was hij, begrijpelijk genoeg, onaangenaam verrast. Maar niettemin zond hij mij, omdat hij wel wist uit welk nest ik kwam, naar de vader van Jaap Zeeman. Daarmee heb ik als eerste werk de noordelijke en westelijke omgeving afgefietst, om op een wegenkaart de Duitse versterkingen aan te geven, terwijl de oude (maar taaie) op de uitkijk stond. Later, toen ik in september '44 uit Groningen, waar ik een blauwe maandag op de zeevaartschool (toen uit Delfzijl uit het verboden kustgebied naar Groningen overgeplaatst) was geweest voordat die vlak na Dolle Dinsdag sloot, werkte ik dagelijks in de garage van Jan Koov, waar de groep van Jaap Zeeman zijn 'technische afdeling' had. Allerlei gewone klusjes moesten er worden opgeknapt als camouflage voor het verzei swerk. Waardoor ik bijvoorbeeld eens de motor van de motorvlet van de NSB'ers Maarten en Piet Visser, overigens heel geschikte jongens, heb gerepareerd. Dat ik mij als dokterszoon met zulk werk bezighield wekte in die tijd geen argwaan. Alles was ontwricht, de scholen waren gesloten. Behalve de bouwers voor wie alles zo goed als gewoon doorging, werkte bijna niemand meer normaal bij gebrek aan vervoer, aanvoer, en aan grondstoffen en elecnciteit - en omdat iedereen druk bezig was om aan eten te komen, wat hoe langer hoe meer tijd en energie vroeg. Voor ons opgeschoten zorgeloze jongens ging de ellende langs ons heen. Wij zagen in hoofdzaak de avontuurlijke kant van alles, al was de hevigheid ervan soms toch wel wat teveel van het goede. Wanneer bijvoorbeeld een goede vriend of kennis was gepakt, of zelfs doodgeschoten. Zoals Henk Gottlieb, 'slakkie' Balder, Jan Walter. Daar werd je koud van. En ook razend. Het afstropen van vliegtuigwrakken, het demonteren van alles wat maar kon worden losgeschroefd was een heerlijk avontuurlijke bezigheid, ook ai stond daar al snel de doodstraf op. De in grote getale overvliegende bommen werpers, de begeleidende jagers, de luchtgevechten en de brandend neerstor tende vliegtuigen waren, en niet alleen voor de jongeren, een vaak adembe nemend schouwspel. In het laatse halfjaar kwamen daar de van langs de kust afgeschoten V2's nog bij, die wanneer zij oostwaarts vertrokken, wat meer dan eens gebeurde, een heerlijke Schadefreude gaven. Als heel teleurstellend ondervond ik tijdens de bezetting, dat je steeds bij de zelfde mensen terecht kwam als het erom ging daadwerkelijke hulp te krijgen. Wanneer je vroeg om onderdak voor iemand, een jood of een 'gewone' onderduiker, had men altijd een uitvlucht klaar. Dat het steeds dezelfden waren die hielpen was des te gevaarlijker, omdat dit ook opvallend kon zijn voor de buren, en voor daaronder mogelijke verraders. Soms werden mensen -211-

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 1995 | | pagina 217