laat komen, zodat de lijken te lang langs de openbare weg of elders in de open lucht liggen. Het lijkt er op of de baljuw er dan op uit is om zo de bedroefde vrienden en magen rijp te maken om het zogenaamde stuivergeld te be talen om het recht tot begraven te verkrijgen. Zoiets geeft toch geen pas voor een welgeboren rechter 1 -Pieter Stammes, de schout van Broek, Noord- en Zuid Scharwoude heeft verklaard dat de schouw bij ons altijd door de baljuw wordt gedaan en dat de kosten steeds uit de boedel van de dode worden betaald Nu was Stammes geen brave broeder, (hg was inmiddels overleden) Tot zijn dood aan toe heeft hij steeds in onmin geleefd met de regen ten, die hem benoemden. Bij deze zaak had hij financieel belang. Hij liegt dan ook. We beschikken namelijk over stukken, waaruit blijkt dat er in SINT PANCRAS zowel in 1716 als in 1717 iemand verongelukte, in NOORD SCHARWOODE gebeurde dit in 1706 en 1713, in BROEK in 1715 en in ZUID SCHARWOUDE in 1699 en 1713. Een aantal van deze verongelukte personen zijn door Stammes zelf geschouwd. En hiervoor kreeg hij per geval een beloning van één Kennemer pond. (Maar de baljuw gaf hem 1% pond per geval) -De baljuw wil het laten voorkomen of er in andere plaatsen door de betrokken baljuw ook kosten voor dit werk in rekening worden ge bracht Hij geeft zelfs een drietal voorbeelden. We willen hierop als volgt reageren: Wat fout is, is fout En als een ander in de sloot springt, Maar we hebben de drie door de baljuw genoemde gevallen eens nader onderzocht Ons is gebleken dat de baljuw zich hierover dient te schamen. Meer dan dat hij zich hierop kan beroepen I De gevallen waren: I In april 1731 schouwden de baljuw en zijn helpers in KOEDIJK het lijk van de vermoorde Pieter Huybertsz Schoenmaker. De baljuw vroeg hiervoor 16% pond. voor hem zelf 6 pond voor zijn helpers 9 pond (de substituut en nog 2 dienaren) voor de schout 1% pond. Pas nadat dit bedrag was betaald kon men van hem de toestem ming verwachten om de dode te mogen begraven.

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 1989 | | pagina 17