-35- was hij uitermate geschikt om als jeugdleider te fungeren bij de wat oudere jongens uit St.Aloysius. Nieland verd op 8 april in zijn ouderlijke woning gearresteerd. "Als goed verkenner gaf hij zijn leven voor God - Kerk en Land'.' Op het identiteitsplaatje van Nieland was natuurlijk niet vermeld dat hij vrijwillig hulp verleende als jeugdleider in St.Aloysius. Van een andere jeugdleider van St.Aloysius had de S.D. het adres ook in handen gekregen. Want ook hij was aangesloten bij dezelfde verzetsgroep. Dit was Gerard Ellerman. Op het moment dat in St. Aloysius een aantal weesjongens werden gearresteerd, was hij net in het tehuis en zo getuige van deze arrestatie. Op dat moment was hem niet duidelijk waarvoor ze precies wérden gearresteerd. Hem was hun verzetsactiviteit niet bekend. Toen hij thuis kwam, hadden de Duitsers in zijn oudérlijke woning reeds huiszoeking gedaan.. Zodra hij dit vernam, wist hij, 'wat hem te doen stond.wegwezen Hij vertelde me, dat hij wel iets wi3t van het verzetswerk van zijn vriend en in zekere zin collega, Theo Nieland. De internaatsjongens kende hij ten dele, maar zoals reeds gezegd, van hun verzetswerk wist hij niets. En de reeds genoemde leden^van linie-west, die niet in verband ge bracht kunnen worden met St.Aloysius, kende hij in het geheel niet. Een en ander illustreert nog eens duidelijk hoe behoedzaam en geheim zinnig men te werk ging. De hier gefusilleerde weesjongens wahen: GERARD STEEN (26 jan.1925 - 15 april 1945 van beroep kantoorbediende, ongehuwd. "Hetgeen gij deedt zal blijven leven door lief en leed, één zij ons sterven'.' LEENDERT J. KEIMPEMA (12 maart 1926 - 15 april 1945). van beroep machine-bankwerker, ongehuwd. Tot de in het tehuis gearresteerde jongens behoorde ook Leenderts broer Bart, eveneens uit St.Aloysius. Op de bewuste zondag werd Bart 's middags om één uur vrijgelaten uit de Weteringschans. Enkele uren later werd Leendert hier gefusilleerd. "God, kerk ën land getrouw, bracht hij het offer van zijn leven1.'

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Klin | 1986 | | pagina 37