Staatslandbouwbedrijven,
een geschiedenis (4)
Hanneke Koolen
Voorjaar 1939 werden de eerste 7 staatslandbouwbedrijven in exploitatie genomen in de
secties B, C en E. In november volgden 15 bedrijven in de secties F en K. De uitgifte van
15 bedrijven in sectie J werd vanwege de oorlog opgeschort. Nederland kreeg een Duits
burgerlijk bestuur onder Rijkscommissaris dr. A. Seyss-Inquart. Hoe ging men met deze
situatie om?
Historisch Genootschap
Wieringermeer
31ste jaargang 2023/2 nummer 95
Familie Faber
Ulbe Faber, geboren op 1 mei 1904 in Witmar-
sum, groeide op in een eenvoudig milieu. In de
twintiger jaren werkte hij als kleine boer op los
land en als arbeider op verschillende boerde
rijen. Voor niet-kapitaalkrachtige landbouwers
was er geen uitzicht op een eigen bedrijf. Ulbe
kreeg een relatie met Lolkje van Abbema, gebo
ren op 15 november 1902 in Wonseradeel. Lolk-
tot november 1941. Ook bleek de richtlijn 2
3 paarden per bedrijf niet uitvoerbaar, de mili
taire autoriteiten vorderden 23 van de 57 paar
den. In januari 1942 bezocht Rijkscommissaris
Seyss-Inquart met zijn gevolg 2 bedrijven in
sectie J. Aan de Oosterterpweg bedrijf van 40 ha
en aan de Klieverweg een bedrijf van 10 ha. Een
charmeoffensief waarmee de hoogste Duitse
burgerlijke autoriteit in ons land goodwill pro
beerde te kweken voor het nationaalsocialisme.
Naarmate de oorlog vorderde werd de sfeer
grimmiger. Bouwmateriaal en onderdelen voor
machines waren steeds moeilijker verkrijgbaar,
vorderingen van o.a. paarden, honden en auto’s
bleven voortgaan. De verplichte arbeidsinzet in
Duitsland hing velen boven het hoofd, de con
troles op onderduikers werden strenger. Het
bleek voor de rentmeester vrijwel ondoenlijk de
staatsbedrijven naar de regels gaande te hou
den. Ondanks de oorlogsomstandigheden, ble
ven de zetboeren consequent gegevens verza
melen voor de landbouwkundige onderzoeken.
Seyss-Inquart op bezoek
De staatslandbouwbedrijven in sectie J zou
den in het najaar van 1940 uitgegeven wor
den. Vanwege problemen met de aanvoer van
bouwmateriaal werd, tot teleurstelling van rent
meester ir. Albert Ovinge de uitgifte uitgesteld
De Duitse overheid had altijd al bewondering
voor de Zuiderzeewerken. Landaanwinning
was een nationale cultuurdaad ten dienste van
de voedselvoorziening. In 1939 was de Duitse
minister van Economische Zaken dr. W. Funk
op werkbezoek in Den Haag. Vergezeld van zijn
Hollandse collega Mr. M.P.L. Steenberghe, ging
hij op excursie naar de inpolderingswerken. De
reis ging vanuit Den Haag door de Wieringer-
meer over de afsluitdijk naar Lemmer, vervol
gens op een boot van Waterstaat naar de voor
bereidende werken voor de Noordoostpolder.
Tijdens de bezetting bleef deze Duitse belang
stelling. Op 17 januari 1941 kwam het ofciële
bericht dat de Duitse overheid zou meewerken
aan de drooglegging van de Noordoostpolder.
In datzelfde jaar werden in de Wieringermeer
de gemeente, domeinen en het heemraad inge
steld, zij moesten de verdere ontwikkeling van
onze polder begeleiden. De bezetter toonde res
pect voor de Nederlandse investeringen, maar
kon niet garanderen dat er altijd voldoende ma
teriaal beschikbaar zou zijn. De belangen van de
Duitse oorlogsvoering gingen nu eenmaal voor
en dat werd al gauw duidelijk.