nen, want zij komen beiden voor op de naamlijst van in 1840 door
de Geneeskundige Commissie te Haarlem geëxamineerden.
Reijnders had meer moeite met de studie dan Fomier. want hij
slaagt in dat jaar niet. In 1842 doet hij een nieuwe poging.
Het examen strekte zich over verschillende dagen uit en omvatte
de vakken anatomie, fysiologie, pathologie, therapie, farmacie en
kennis van de Latijnse taal, terwijl ook de kundigheid moest wor
den gedemonstreerd in het aderlaten en het aanleggen van verban
den. De uitslag is nu gunstig en op 12 november 1842 promoveert
Reijnders tot heelmeester voor het platteland.
In 1843 behaalt hij, na een herexamen, ook nog het diploma van
vroedmeester voor het platteland.
Zowel Reijnders als Fomier vestigden zich als vrijgezel in
Castricum. maar trouwden al spoedig met een Castricumse.
Reijnders in 1850 met Neeltje Kuys uit welk huwelijk 6 kinderen
worden geboren. Vandaag de dag komt de naam Reijnders nog in
Castricum en omgeving voor en het betreft dan merendeels naza
ten van Anthonie Reijnders, de heelmeester.
Fornier trouwt in 1847 met Guurtje Castricum. Uit dit huwelijk
worden vier dochters en één zoon geboren, die echter enkele
maanden na de geboorte komt te overlijden, waardoor de naam
Fornier niet in Castricum is blijven voortbestaan.
Kort na het overlijden van Bernardus Res in 1845. deelt de burge
meester in een raadsvergadering mee, dat Fornier en Reijnders
zich bij hem hebben vervoegd met verzoek, daar Res is overle
den, zijn toelage van 150 gulden per jaar te mogen toucheren"Na
een lange discussie stelt de gemeenteraad, dat de toelage uitslui
tend was bedoeld om in een periode zonder geneeskundige hulp
een heelmeester naar Castricum te lokken. De beide genoemde
heren zijn uit vrije wil naar Castricum gekomen en de verplichting
met Res aangegaan bestaat dus niet. Het voorstel wordt verwor
pen, maar de gemeente kent de beide geneesheren wel gelijke
rechten toe in het behandelen van inwoners, die onder het armbe
stuur vallen. Er wordt een regeling in het leven geroepen, waarbij
zij om de beurt de patiënten voor een periode van 6 maanden zul
len behandelen. Hun declaraties moeten bij het armbestuur worden
ingediend. Deze regeling vloeide voort uit de Armenwet van 1818,
waarin werd bepaald, dat armlastigen onder de zorg van het
gemeentebestuur zouden vallen, mits ze tenminste 4 jaar in de
gemeente hadden verbleven. De zorg omvatte steun in de vorm
van geld, voedsel, kleding en brandstof en zonodig ook genees
kundige hulp, waarbij de gemeente plaatselijke geneesheren kon
aanzoeken om de armen gratis hulp te verlenen, waarvan dan de
kosten door het armbestuur en dus indirect door de gemeente, wer
den vergoed.
Concurrentie
De situatie van twee heelmeesters in Castricum op een bevolking,
die sinds Res slechts weinig was gegroeid vroeg om conflicten en
inderdaad komt uit archiefstukken naar voren, dat de verstandhou
ding tussen Reijnders en Fornier niet steeds optimaal is geweest.
Fornier beklaagt zich in 1852 in een enigszins cryptisch hriefje
aan het gemeentebestuur, "dat in het half jaar waarin hem de
geneeskundige hulp van de bedeelden is toegezegd, daartoe zijnen
collega Reinders heeft gebruikt met verzoek dat de winsten welke
deze collega heeft genoten niet aan hem zouden worden uitbetaald
maar in de armenkas gestort".
In een volgende raadsvergadering komt opnieuw een brief van
Fornier aan de orde over het verstrekken van medicijnen door
Reijnders aan een zieke armlastige "hetgeen was toegezegd aan
hem, Fornier"
Hoe deze kwestie afloopt is niet bekend, maar ondanks de concur
rentie om patiënten, lijkt het beide heelmeesters in Castricum niet
slecht te zijn vergaan. Dit kan o.a. worden geconcludeerd uit hun
bezit aan land, al dient opgemerkt, dat beider schoonfamilie daar-
te
aan niet vreemd was. Zo had het echtpaar Reijnders een aandeel in se
de boerenplaats Kleibroek aan de Somerweg en bezat het ook land w
aan de Brakersweg. Fornier kwam in bezit van enkele weilanden,v(
Het Kampje van Fornier' en Het Horntje' genaamd en bovendien
van een huis, erf en bouwland bij het Schulpstet. jn
ge
Wat betreft de inkomsten van de heelmeesters, zijn van Reijnders
enkele rekeningen bewaard gebleven, waaruit blijkt dat hij in 1851 fe,
voor een visite 20 tot 50 cent rekende, afhankelijk van de welstand ae
van de patiënt. De kosten konden niettemin soms aanzienlijk oplo- y0
pen, zoals in het geval van de locoburgemeester Jacob Kuys, die wc
wegens ziekte van zijn vrouw in 1861 van Reijnders een rekening „e
van 160 gulden gepresenteerd kreeg. ja
ov
Al
Opnieuw maar één heelmeester in Castricum
In
Fornier overlijdt in Castricum op 15 juli 1855, kort voor zijn 45e g0,
verjaardag en Reijnders staat er dan alleen voor, want er komt ae
geen plaatsvervanger voor Fornier. Er komt voorlopig ook geen ^a
andere vorm van geneeskundige hulp in het dorp, zoals blijkt uit jjg
de 'Naamlijst der beoefenaren van de onderscheidene takken der Oo
geneeskunst'die de burgemeester ingevolge een Koninklijk gel
Besluit uit 1818 jaarlijks bij de Commissaris des Konings moest na;
indienen. Enkele kolommen van het hiertoe in te vullen formulier, j var
met de opschriften geneesheren, heelmeesters, vroedmeesters,
apothecars, vroedvrouwen, oogmeesters, tandmeesters, drogisten
en kruidenverkopers, tonen over een aantal jaren slechts de naam \y.
Anthonie Reijnders, als heel- en vroedmeester. De andere
genoemde beroepen waren dus in Castricum niet vertegenwoor- ajs
digd. Zo
Een van de problemen, waarvoor Reijnders nu alleen kwam te lee
staan, was de gezondheidszorg voor de bedeelden in Castricum.
De armoede in Castricum was nog steeds groot. Over de periode
van 1854 tot 1866 worden door het Bestuur voor Huiszittende
Armen jaarlijks tussen de 100 en 200 bedeelden opgegeven. De
toename van het aantal bedeelden in sommige jaren wordt toege
schreven aan 'menigvuldige zieken', zoals in 1858. In 1864 telde
Castricum ca. 1200 inwoners en leefde 14% van de bevolking van
de bedeling.
Anthonie Reijnders werd in 1857 (zie grafiek blz. 11) geconfron
teerd met een bijzonder hoge sterfte in Castricum van meer dan 50
per 1000 inwoners. Volgens beschikbare gegevens was dat niet
aan de cholera te wijten. Er schijnt in dat jaar meer dan één epide
mie in Castricum te hebben gewoed, waarbij zowel tyfus als maze
len worden genoemd.
Gelukkig waren de epidemieën niet altijd van ernstige aard en was
een succesvolle behandeling mogelijk. Als illustratie citeren we uit
een brief van het schoolhoofd Ludewig aan het gemeentebestuur
van Castricum van 28 maart 1866. Er had een 'klierachtige'
hoofdziekte onder de schoolkinderen geheerst en Ludewig schrijft:
"Tot mijn genoegen hebben de hoofden van velen een beter aan
zien gekregen, maar voor eenigen beschouw ik die middelen niet
krachtig genoeg, of hebben ze de raad van den geneesheer niet
opgevolgd"
Nieuwe wettelijke regelingen
In het jaar 1865 krijgen het gemeentebestuur van Castricum en
ook Reijnders te maken met nieuwe wettelijke regelingen van de
gezondheidszorg. De provinciale en plaatselijke geneeskundige
commissies worden afgeschaft en alle toezicht op de gezonds-
heidszorg komt nu direct onder het Ministerie van Binnenlandse
Zaken. Er worden met betrekking tot de controle op het genees
kundig handelen zeven districten ingesteld, bestuurd door
Geneeskundige Raden, waar geneeskundigen, apothekers en een
jurist deel van uitmaken. Een systeem van geneeskundige inspec-
14