Scheepvaartcontract uit 1667 Als afsluiting van de reeks artikelen Akersloter schippers en de zeevaart leek het ons aardig de inhoud van een scheepscontract uit die periode af te drukken. De leden van de archiefgroep, die het lezen van deze oude handschriften beheersen, kwamen het originele handschrift uit de 17de eeuw in het archief tegen en hebben het voor ons vertaald. Enkele delen van de originele tekst waren onleesbaar. Er blijft echter genoeg over om te zien hoe het taalgebruik in die tijd was en welke voorzorgsmaatregelen genomen moesten worden voordat een zeereis ondernomen kon worden. Vooral de passage over het bewapenen van het schip toont aan hoe gevaarlijk varen in die tijd was. SCHEEPVAARTCONTRACT In den naem des Heeren amen. In den jaere van der geboorte desselfs ons Heeren ende Zaligmaker Jesu Christy, duysent ses hondert seven en 't sestich. Op ten 20 july compareerden voor mij Adriaen Lock Notaris, in presentie van de nabeschreven getuygen Pieter Pieter van Lutsen en Isaack Hochepied de Jonge, coopluyden binnen deser steede, als bevrachters ter eenre; ende Cornelis Adriaensz Cruijenaer van Ackersloot, schipper ende Mr. naest Godt, van sijnen scheepe genaemt "De Juffrouw", lanck 96 voeten, wijt 23 V4 voet, hol 10% voet ende daerboven 4% voet. Alles Amsterdammer voeten, ter andere sijde. Ende verclaerden de voornoemde comparanten metten anderen geaccordeert ende verdragen te sijn wegens de bevrachtinge van 't voorzegde schip in manieren naervolgende. Eerstelijke soo blijft de voornoemde schipper gehouden ende belooft bij desen; sijn voorzegde schip metten aldereersten te leveren, doch weder gecalefaet, voorsien van anckers, seylen, touwen, taeckels, vertualie ende andere nootsaeckelijckheden nodig tot de naegenoemde reyse. Ende alsoo voorsien sijnde sullen de voornoemde bevrachters int voorzegde schip mogen scheepen en laden soodanege goederen, waeren ende coopmanschappen als sij voort gelieven sullen, totte volle ende bequaeme ladinge vandien toe. 38

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Groene Valck | 1990 | | pagina 38