bootsgezel en hoogbootsman en Geerloff Dielofsz was bootsgezel op het schip van Cornelis Cornelisz met wie hij later samenwerkte in het uitrusten van schepen naar Nova Zembla. Over het algemeen werden Akersloters niet op zeer jeugdige leeftijd schipper. Van 27 schippers zijn de geboortejaren (ongeveer) bekend en bij vergelijking met de jaren waarover zij schipper waren, blijkt dat zij tussen hun 19de en 48ste jaar voor het eerst als zodanig werden vermeld. Dat Willem Jansz Hooft op 19- jarige leeftijd als schipper naar Archangel voer, kan mogelijk liggen aan een plotseling verhinderd zijn van zijn vader om te varen, waardoor hij de kans kreeg op hetzelfde schip. Meestal werd iemand rond zijn 30ste voor het eerst als schipper vermeld, waarna hij het zeeleven opgaf rond zijn 50ste jaar. Alleen Adriaen Cornelisz Brasser was tot z'n 61ste, in 1716, schipper. Sommige schippers stierven vroegtijdig op zee. Vooral na hun schippersbestaan kregen ze tijd om andere dingen aan te pakken. Ze werden gekozen in het dorpsbestuur, maar konden ook optreden in minder tijd vergende baantjes, die ze ook tijdens hun schippersloopbaan konden uitoefenen, zoals voogd of poldermeester. Toen ze nog schipper waren kochten ze land of als ze uitlandig waren was het de echtgenote die eventueel met hulp van een familielid of schepen de zaken regelde. Ook wanneer ze schipper-af waren kochten ze nog onroerend goed. Als zij stierven namen hun weduwen de touwtjes in handen. Soms hertrouwden zij, tot wel driemaal toe. Dit kon ook bij de schipper voorkomen. Zij trouwden de eerste keer meestal rond de beginjaren van hun schippersloopbaan. Zij kregen kinderen van wie de zonen weer op hun schepen terecht konden komen en het roer overnamen als hun vader te oud werd of op een ander schip ging varen. Maar de cirkel draaide niet altijd rond. Het aantal schippers daalde in de tweede helft van de 17de eeuw en in 1731 nam de laatste schipper uit Akersloot afscheid van de zee. Het water heeft altijd een grote invloed uitgeoefend op Akersloot. Het Lange Meer spoelde laaggelegen land weg vanaf de Middeleeuwen tot in de 18de eeuw. Het lage land was slechts geschikt voor veeteelt, terwijl enige akkerbouw mogelijk was op de twee hoger gelegen strandwallen. Bij een groeiende bevolking was in Akersloot niet voldoende werk aanwezig en moesten inwoners hun geld verdienen in visserij en binnenscheepvaart. In de 16de eeuw breidde zich dat uit; Akersloters zochten hun geluk in de koopvaardij. Vanaf 1547 voeren Akersloter schippers als vrachtvaarders. 17

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Groene Valck | 1990 | | pagina 17