gevaarlijke reizen was de kans op een hoge winst aanwezig. De 19 schippers, die een huis bezaten dat gemiddeld 1,69 in de verponding opbracht, voeren bijna allen naar Archangel of ter walvisvangst. De zeven schepenen binnen de groep van 19 schippers waren in hoge mate gespecialiseerd op deze twee vaarten. Kennelijk bestond een verband tussen de grootte van de vaart, de waarde van het huis en de uitoefening van openbare functies. Mensen die veel geld verdienden, kwamen in aanmerking voor een functie in het dorpsbestuur. Maar ook op een andere manier kon een schipper kapitaal vergaren. Zo gaf Dirck Jacobsz Slicker adviezen over de Noordelijke wateren voor de vierdelige atlas van Johannes van Keulen. Andere schippers werden koopman en bevrachtten zelf schepen, zoals Cornelis Cornelisz Jongkees, Geerloff Dielofsz, Lourens en Cornelis Gertisz Mes, Jan Willemsz Boet en zijn zoon die houtkopers werden en Jacob Jansz Vijgh, die na zijn schippersloopbaan in wijn handelde. Het is niet verwonderlijk dat schippers koopman werden, omdat zij als schipper vaak zelf voor een bevrachter hun lading moesten in- en verkopen. Tegelijk schipper en koopman ging niet samen in de praktijk. Alleen na het schippersbestaan of enkele jaren tijdens hun schippersloopbaan traden zij als koopman op. Al woonden de schippers in één dorp, zij vormden niet zonder meer een gesloten groep. De meesten hadden wel een familielid dat getrouwd was in een andere schippersfamilie, maar anderen trouwden daarbuiten. Jacob Jansz Vijghs vader en twee ooms waren schipper. Hijzelf trouwde in 1692 met Dirckje Jans Hooft, een zus van schipper Willem Jansz Hooft. Zijn dochter Adriaantje Jacobs Vijgh trouwde op haar negentiende verjaardag met Cornelis Krijgsman. Bij het huwelijk was Jan Boet getuige en Jacob Jansz Vijgh was zelf peter van de dochter van Maarten Cornelisz Schee en Maartje Jans Hooft. Al deze personen behoorden tot schippersfamilies. De schippers hadden meestal een zoon, die hen opvolgde. Zo ontstonden hele generaties schippers als de familie Mes, waar in 1573 Pieter Claesz Mes schipper was en vier generaties later Jan Lourensz Mes in 1657 de rij sloot. Zij kwamen van jongsaf op het schip van hun vader of van een kennis en leerden het vak. Na een aantal jaren werden ze stuurman en dan was het nog maar een kleine stap tot de rang van schipper. Schipperszonen zijn in het voordeel. Zij leerden het vak van hun vader en in de bronnen verschijnen ze eerst als stuurman en enkele jaren later als schipper op het schip waar hun vader op gevaren had. Zo was Jan Boet 16

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

De Groene Valck | 1990 | | pagina 16