Om terug te keren naar het meertje in de zuidoosthoek van de Egmonder- meer. Ik heb daar in mijn jeugd in de zomermaanden nog al eens met de buurjongens Mienis (van hoeve Engeland) gezwommen. Ik kan me herin neren, dat het vrij diep was en dat het water heel schoon was. De toegangs slootjes waren heel ondiep en daardoor snel opgewarmd. Ze zaten vol grote karpers die daar dan in het voorjaar paaiden. Dat was heel indrukwekkend, als je die grote vissen, tientallen zo dicht bijeen, bij wijze van spreken kon pakken; zo tam waren ze dan. De meeste jongens van Mienis zijn geëmi greerd naar Nieuw-Zeeland en Australië. Mijn opa Mijn opa van mijn vaders kant die ook Jan de Vet heette, was visserman in de Hoevervaart en in alle vaarten rond het vliegveld. Hij had zijn woon- scheepje bij de Sammermolen liggen, bij de familie Dirkson. Hoeveel jaar hij dat werk precies gedaan heeft weet ik niet. maar bij benadering toch zeker zo'n dertig jaar. Hij is er zo rond de jaren vijftig mee gestopt. Het loonde niet meer doordat het water (toen al!) zodanig vervuild was. dat alle vis verdween of dood ging in zijn bun. Allen van de generatie van boven de zeventig die met de Hoevervaart te maken hebben gehad, hebben mijn opa goed gekend. Ze vertellen me wel eens wat verhalen uit die tijd. Hij moest er bijvoorbeeld voor zorgen dat zijn fuiken niet in vaarwater stonden. Daardoor was hij vaak bij nacht en ontij in de weer om zijn fuiken te zetten en te lichten. Als klein kind ging ik wel eens mee met opa. Ik had de grootste bewonde ring voor die man, zoals hij bijvoorbeeld het kleine stokkie onder water haarscherp kon vinden. Nooit viste hij er naast. En het ophalen van het laat ste vak van de fuik, waar de paling in zat -want het ging hem om de paling- was voor mij als kind een feest, want er zat niet alleen paling in maar ook de meest uiteenlopende andere vissen. Kleine snoekjes bijvoorbeeld. De zorgelijke, bruine, verweerde kop van mijn opa drukte een heel andere taal uit. Een taal die aangaf, dat het einde van het visserstijdperk naderde. Maar ik was een kind en ik wist niet beter. Voor mij was het een spel. Zo had ik bijvoorbeeld op een onbewaakt ogenblik al zijn eigengebakken brood opgegeten. Opa vond het niet eens erg. Ik moest er nog van groeien, zei hij. 70 Geestgronden, 6 1999), nr. 2/3

Tijdschriften Regionaal Archief Alkmaar

Geestgronden | 1999 | | pagina 40